Interview met oud-leerling G.A. van Oorschot (leerling van 1915-1919)
(interview uit 1983 - gepubliceerd in het gedenkboekje bij het 100-jarig bestaan)
         

                           Bibliografie

Tegenwoordig heet de Grote Markt-school Frans Naereboutschool. Kent u die school onder die naam?
De Frans Naereboutschool is een vreemde betiteling voor me. Voor ons was het de school van de Grote Markt. En zo stond hij ook in heel Vlissingen bekend.

De naam Frans Naereboutschool is pas ontstaan na de Tweede Wereldoorlog.
Dat klopt dus, want toen ik kind was, heette hij niet zo. Na de Tweede Wereldoorlog heeft men dus Frans Naerebout weer in ere hersteld door die school naar hem te vernoemen.

In Vlissingen hadden de scholen een bepaalde letteraanduiding. Is u daar iets van bekend? Van een letteraanduiding A of B?
Ja, dat weet ik nog wel. Maar ik herinner me niet meer, welke letter onze school had.

Toen u op school zat, woonde u toen in de Slijkstraat?
Ja. Schuin tegenover de school. Eerst woonde ik in het Groenewoud, op nummer 19. Daarna Noordstraat 39 en toen in de Slijkstraat op nummer 3. Vlak bij het Gevangenhuisstraatje naast de Kazerne. Op het hoekje woonde mijn schoolvriendje Daan van Oven, op nummer 1. Op nummer 3 woonden wij. Tegenover ons, op de hoek van het schoolstraatje had je nog een stenen trapje met een deur naar de gymnastiekzaal. Op dat trapje hebben wij veel gespeeld.

 

Was er een soort schoolkleding, in die tijd?
De jongetjes uit mijn tijd hadden lange gebreide kousen, met een kouseband. En de Belgische jongetjes hadden kniekousen met blote knieën. Daar waren wij jaloers op. De jongetjes hadden toen nog broekjes tot over de knieën, met van die kleine pijpjes. In mijn tijd dan hè? Wij, in ons gezin, vonden dat afschuwelijk, maar ja, zo was het. En de meisjes hadden boezelaartjes, met een wit schort. Ze kwamen ’s maandags met een wit schort op school, festonnetjes om de hals, of bandjes- en een kraagje. De meisjes droegen ook haarlinten van allerlei kleuren: blauw, rood en groen en van verschillende breedte. Hoe breder je lint was, hoe rijker je was. Dat was dus onze kleding zo rond 1918.

U kent de school nog, u kent de Slijkstraat nog. Weet u nog iets van het milieu van de buurt?
De Slijkstraat is natuurlijk niet meer dezelfde. Die is gelukkig door de oorlog verwoest. Er zijn nu armetierige, maar tenminste waterdichte flatwoningen gebouw, zonder open daken, zonder open riool. (Flats, die binnenkort worden gesloopt – red.) Een riool was er toen niet: heel de buurt werd bediend door de tonnetjesman.
      

Dat was iemand van de stadsreiniging met een platte wagen waar de stronttonnen op stonden. En die werden afgehaald uit de huizen. Ze hadden dan een leren lap op de schouder en dan brachten ze een schone ton naar boven.
En dat was heerlijk, want die ton was besprenkeld met lysol, dat rook heerlijk fris. Ik herinner me nu ineens die reuk weer.

In het grootste gedeelte van de buurt was er gaslicht, met gaskousjes. Die moest je halen bij een winkel van de gasfabriek in de Wilhelminastraat. En je moest oppassen natuurlijk, dat je die niet brak, want dan moest je nog een keer!

Ik heb het komen van de elektriciteit meegemaakt. Heel wonderbaarlijk en feestelijk was dat: een knopje indrukken en dat er dan licht kwam! En ik weet ook nog dat er waterleiding kwam. Onze watervoorziening liep via de regenbak. Alle huizen hadden een regenbak. Of de buurman had er een. Daar kwam het water uit, met alle ruzies van dien. Want dan nam de een weer meer water dan eigenlijk mocht. Ik herinner me nog wel, dat we op de vliering van de Slijkstraat via een gootje water afgetapt hebben, dan hoefden we geen twee trappen naar beneden en was er geen ruzie meer. Hoe de atmosfeer was? Ja, een arme buurt. Vlissingen had een veel groter stadproletariaat dan Middelburg. Het percentage ambtenaren en bemiddelde burgers ligt in Middelburg nog steeds hoger.

Ik kan me van mijn eigen jeugd niets anders herinneren dan armoe, moeilijk zitten: alle vaders hadden wel ergens een lapje grond, langs het Kanaal of langs de spoorweg. Daar kweekten ze dan aardappelen, rooie kool en wortelen.

De groentenboer kwam toen nog langs met zijn paard. Ik herinner me onze groentenboer Schout. Die had een grote moestuin voorbij het Kerkhof op de Koudekerkseweg. Maar dan kostte vijf kop aardappelen een dubbeltje. Maar zij kochten dan kriel, die kostten maar een halve cent per kilo. Tja …

Dan had je nog een man die met een oliekarretje reed. Hij was van het bedrijf de Automaat. Daar kocht je een paar liter peterolie.Want daar kookte de vrouw op, om gas uit te sparen. Olie was goedkoper dan gas. Er werd gekookt op van die oliestelletjes:

             

Waren er kachels in de scholen?
Ja. Kachels die op cokes gestookt werden. In elk lokaal, in de hoek, stonden grote, hoge, ronde kachels, met een gat en een pijp. ’s Morgens werden die aangemaakt, door wie weet ik niet. Maar de juffrouw of de onderwijzer moest er de hele dag voor zorgen, dat die kachel lekker aanbleef. En wie van ons dan om de zoveel tijd cokes in de kachel mocht steken, was een gelukkig kind.

                 

Die armoede, gold dat alleen de buurt van de Grote Markt, of voor heel de binnenstad van Vlissingen?
Dat was in heel de binnenstad. Groenewoud, Lange Zelke, Nieuwstraat, Kolvenierstraat, Breewaterstraat, Scharminkelstraat, Kromme Elleboog, Pluimstraatje, Bakkersgang… God, dat ik me al die namen weer herinner … allemaal armeluistroep. Koestraat, Sameritaanslop, Hellebardierstraat, tja …
       
  
           
            Oud Vlissingen - tekening van Thijs Vierling - Westkapelle
          
Voor de school stond een prachtige waterpomp, met een heel mooi hengsel met een ijzeren bal. En naast die pomp lag een mooie blauwe steen in het plaveisel. (Die ligt er nog – red) Daar speelden we op winteravonden “Buut met de blikken bus”. Dan hadden we een blikken busje op die steen gezet en één was hem. En wie aan het spel mee deden, verschuilden zich. Wie hem was moest de anderen vinden en dan met een klap van het blik aantikken. Maar als één van de anderen het blik aantikte, waren de gevangenen vrij. Dat hebben we heel vaak gespeeld.
Wat betekent dat eigenlijk … Buut. Ook merkwaardig was: onvoorbereid werd er geknikkerd. Zonder sein. De meisjes hadden dan een zakje voor hun schortje.
Geliefd was ook het klakkeren. Dat deden de meisjes nooit. Twee eikenhouten plankjes tussen de vingers die de jongens tegen elkaar aansloegen. Heel de school had van die klakkers. Zo’n 60 tot 80 jongens liepen dan al klakkerend rond de school. Wie de mooiste klakkers had, die van het hardste hout, was bevoorrecht. Die was meer dan iemand die klakkers van vurehout had. Die klakkers konden we kopen bij een draaier, meneer Auer in het Groenewoud, vlak bij de pettenwinkel van Pel. Maar die meneer Auer draaide ook mooie houten tollen: keggen was dat. Een draaiende tol met een andere tol raken. Op de tollen waren ook maantjes gekleurd.
Vroeger waren er ook kartonnen doosjes met langwerpige sigaretten, van Players bijvoorbeeld. Die plaatjes werden afgescheurd en we verzamelden ze tot we een stapeltje hadden. Je legde dan een kaartje neer, bijvoorbeeld een Player. En als je kameraad daar dan een Player oplegde, kreeg hij de kaart, of – als er daarvoor allemaal verschillende geweest waren – het hele stapeltje. Wekenlang speelden we dat.
De meisjes speelden vaak een spel met een dik boek van bijvoorbeeld 400 bladzijden, waarin de 15 ansichtkaarten stopten. Voor één cent mocht je dan 5 keer prikken, met een speld. Eigenlijk was dat woeker, want een cent was veel geld en je had bijna nooit een kaart.
In het straatje speelden we nog een spel: “Kapmes, lepel, schaar of ‘tsjiet’”! Vier jongens, één stond tegen de muur en de anderen stonden met de kop in de kont van degeen ervoor, in een rij. De tegenpartij met 5 jongens nam een aanloop en sprong dan op de rij gebogen jongens. Viel er één af, dan hadden ze verloren. Als ze er allemaal op zaten, dan moest de eerste zeggen: “Kapmes, lepel, schèr of tsjiet”. Wat tsjiet betekent weet ik nog steeds niet. Ach al die spelletjes, die niet meer bestaan …
Eigenlijk bestaan ze nog wel, maar hebben ze een andere naam. Maar de waterpomp is weg, die hebben ze nooit meer gevonden. Het was een mooie pomp.
Voor de ramen van de school stonden ook zes mooie bomen, lindebomen.
Ook de kachels waren mooi, die ruisten ’s winters altijd zo melancholiek. Heel veilig, heel beschermd was dat. Dat waren mooie dagen.

Was het stil in het lokaal?
Ja. Ik heb nooit geweten dat er rumoer was. Nee. Want de verhouding tussen de juffrouw of de meneer en de kinderen was er een van natuurlijk gezag. De onderwijzer(es) was iemand van gezag, van autoriteit. Niet terroristisch, maar vanzelfsprekend. Ook voor de ouders. Daar gaven de ouders ook hun kinderen aan over. Daar luisterde men naar.
Ik vond die verhouding veel beter dan die van nu. Wat ik er nu van zie, is dat noch de kinderen, noch de ouders enig respect hebben voor de onderwijzer. Verder zie ik dat heel wat onderwijzers volstrekt idioot zijn. Ze vinden dat kinderen niet meer hoeven lezen, geen tafels hoeven leren, ze hoeven niet meer netjes te schrijven. En dan heb je nog een stel grotere idioten, die vinden dat ouders ook maar mee moeten helpen bij het onderwijs. De leerkracht “assisteren”. Dat is een vorm van democratiseren, waardoor de kinderen steeds minder leren en minder weten. En ook de gezagsverhoudingen zijn op drift geraakt. Als ik – hier verderop – naar de lagere school kijk, nou, dat is een troep. Ze schreeuwen, stampen en zijn niet meer stil te krijgen. Ze vernielen van alles, ze gooien ruiten kapot. En de onderwijzers hebben niets meer te vertellen. We moeten weer Theo Thijssens krijgen als onderwijzers. Die echt van kinderen houden, kinderen veel willen leren en een niet opgelegd, maar natuurlijk gezag hebben.

Nee, het was stil in de klas. Je ging ´s morgens netjes zitten, handjes over elkaar. Wel wat stijf, maar het gaf het beginpunt van plezierige ordening. En dan ging je aan het werk. We hadden de lei nog, met griffels en griffeldozen. Op de deksels waren dan mooie bloemetjes getekend. Kinderen gingen met gepunte griffels naar school. Dat deed je thuis. We hadden een sponze-doos: blikken ronde doosjes. In de ene helft de spons, in de andere de zeep. Ieder kind had in de dood een erwt of een bruine boon. Die ontkiemde dan. En dat werd dan in de klas in potjes geplant.

Als je als kind naar de grote school ging, dan was dat heel enerverend. Als moeders hun kind hadden afgegeven aan de juffrouw – in de eerste klas had je altijd een juffrouw – dan blijven ze vaak nog een paar minuten voor het glasraam staan van de klasdeur. Om te kijken. Geen enkel kind vergeet de eerste dag dat hij naar school ging. Het is de eerste keer dat hij de besloten sfeer van het gezin verlaat. Waarin het met andere gezagsverhoudingen te maken krijgt. Maar ook dat het leren moet met andere kinderen om te gaan en leert dat dat ook weer wrijvingen en misverstanden oplevert.

De lagere school is dan ook voor de persoonlijkheidsvorming veel belangrijker dan bijvoorbeeld het middelbaar onderwijs. Volksonderwijs zou de grootste zorg en aandacht moeten verdienen. Een klas mag dan ook niet groter zijn dan 15 tot 20 leerlingen. Zolang dat nog wel het geval is, blijkt daaruit de cultuurloosheid van ons volk. Daar moet nou geld aan besteed worden, niet aan subsidies voor drugsverslaafden en progressieve antiracistische groeperingen. Ja een herdenking van het honderdjarig bestaan van een lagere school vind ik heel zinvol.

Waren in uw tijd de klassen groot?
We zaten met een kleine 40 kinderen in de klas. Ik weet nog dat mijn vader in de raad heeft voorgesteld het maximum te stellen op 36. Dus in werkelijkheid lag het aantal hoger. Ik weet niet meer of zijn voorstel het gehaald heeft.

Het is nu een klein schooltje, met 3 onderwijskrachten.
Oh, hoe komt dat? Worden er geen kinderen meer gemaakt?

Door de ontvolking van de binnenstad. Maar dat zal wel weer beter worden. De binnenstad wordt nu (1983) gerestaureerd, de trek daar naar toe komt net weer op gang.
Onderwijzeressen en onderwijzers kwamen wel een thuis, vertelde u daarstraks. Was dat regel?
Dat was als een kind problemen gaf in de klas. Dan zocht de juffrouw of de meneer contact met de ouders. Ook als een kind een slecht rapport had. En er waren ook wel ouders die probeerden de juf eens thuis te krijgen. Dat was een onderscheiding. Het huis werd aangeveegd, een koekje in huis gehaald. Chocolade-kaastongetjes van Groenouw, een koekjeswinkeltje in de Molenstraat.

Waren er nog meer buurtwinkeltjes in die tijd?
Er was de winkel van Sijpesteijn, de drogist. De Grote Marktbuurt was een dichtbevolkte buurt van arme mensen. Maar je had er een groenteboer.
Op de Grote Markt had je twee kruideniers. Je had de slagerij van Vernieuwe, dan had je de prachtige bakkerij van Sijtsma. Voor het politiebureau had je een leerwinkel waar je schaatsen kon kopen, van Schmelzer. Er was een groot café op de hoek van de Grote Markt, schuin tegenover de school. Dus het was een drukke buurt.
       

Was er ook markt? Het heette tenslotte Grote Markt?!
Op de Grote Markt was er nooit markt. Er was markt op het Kleine Marktje. Maar daar heb ik niet veel herinneringen aan. Het is daar nu ook zo verknoeid. Nee, je had in die buurt dus veel winkels.

Kunt u zich nog mensen herinneren uit die tijd, waarvan u weet dat ze nog in leven zijn? Klasgenoten of zo?
Namen van vriendjes uit die tijd herinner ik me nog wel. Maar of die nog in leven zijn? U moet rekenen: ik was 16 jaar, ik kwam toen van de H.B.S. af, toen ik op de fiets naar Rotterdam ben gereden. En ik ben daarna nooit meer teruggeweest in Vlissingen. Ik werd bootwerker in Rotterdam en kwam alleen met de verjaardag van pa of moe thuis. Meer niet. Ik ben dus 57 jaar uit Vlissingen weg. Dus wat zou ik me nog moeten herinneren? Het valt me nog mee wat er nog allemaal in die ouwe kop zit en wat er nu naar boven komt.
Dirk Roosevelt, Kees Sijpesteijn, Co Snoep, Paddeltje Vink, dat zijn allemaal jongens die ik me nog voor de geest kan halen.

Heeft u daar nog foto’s van? Of gebeurde dat op school nooit, dat er foto’s genomen werden?
Oh ja, elk jaar kwam er een fotograaf in de klas en dan werd je mooi in de rij gezet: de juffrouw of de meneer stond dan helemaal aan de kant en wij stonden dan in een soort pyramide opgebouwd. En dan was er één kind, dat mocht een leitje vasthouden, waarop stond A-2. Of B-3. Nu herinner ik me die letter dus weer, waar we het in het begin over hadden. Ik zie dat leitje nu en daar was een letter op. De scholen hadden dus een letter.

              
Maar wie dat leitje mocht vasthouden, die was natuurlijk de koning te rijk. Van die kleine dingen waren dat, die je zo gelukkig maakten: als je eens iets extra’s mocht doen. Boeken uit de kast halen of zo, of de kolenkit gaan vullen. Als je onderwijzer bent, moet je dat toch wel heel eerlijk verdelen. Goed in de gaten hebben, dat je alle kinderen zoiets een keer laat doen. Dat is heel belangrijk voor kinderen. Ons, volwassenen lijkt dat flauwe kul, maar voor kinderen is dat heel belangrijk. Ja, en die foto kon dan besteld worden. Dan brachten wij twee kluten mee, 5 cent. Een klute was 2½ cent. “Kluut” was waarschijnlijk een Zeeuwse uitdrukking. Die kluten werden ook gebruikt in de gasmeters. Als je een kluut in de gasmeter stak, dan had je weer gas. Later werden er gasmeters gemaakt, die op een dubbeltje werkten. Dat vonden wij moeilijke gasmeters, want een dubbeltje was vier kluten. En een dubbeltje was veel geld. Je kon eerder een klute missen dan een dubbeltje.

Was er dan geen schril contrast tussen het milieu in de school en daarbuiten, waar iedereen eigenlijk aan het vechten was om aan eten te komen?
Ik heb de herinnering aan een gevoel voor geborgenheid. Een gevoel van veiligheid. Er waren praktisch geen kinderen die een hekel aan school hadden. Er waren wel kinderen die het moeilijk hadden met leren, omdat ze stom waren. Maar ja, als je stom bent, dan blijf je ook stom.
Maar ik heb eerder het gevoel, dat de school een vluchthaven was, een mooie plezierige vluchthaven – dan dat het een belasting was, of een soort gevangenis. Een gevangenis zeker niet.
Waarbij ik echt moet zeggen, dat altijd alles van de leerkracht afhangt. Of dat een aardige man is, of een aardige juffrouw, die van kinderen houdt, die van het vak houdt. Behalve dat ze de kinderen van alles moeten leren, moeten ze ook belangstelling hebben voor wie “Kees de Jongen” is, om het zo maar eens uit te drukken.
Het schoolreisje bijvoorbeeld, was een hoogtepunt in het jaar. Ik herinner mij nog geen autobussen, maar wel een trammetje van Vlissingen naar Domburg. Dat was een heel mooi trammetje. Dat had moeten blijven. De wereld wordt armer, als men dit soort trammetjes afschaft.
          

Het schoolreisje ging naar Domburg of naar Oostkapelle, naar de duinen of de bossen. Het trammetje had zijn stopplaats op de Paul Krugerstraat en in de Badhuisstraat.

Waren er nog meer speciale gebeurtenissen in zo´n schooljaar die er voor u uitsprongen? Die voor u iets bijzonders hadden?
Ook wel schokmatige voorvallen. Ik herinner mij dat een kind uit de klas gestorven was. En toen zijn we allemaal met de juf naar de begrafenis geweest. En dat deed die juf in overleg met de ouders. En dat was voor de meeste kinderen natuurlijk voor het eerst dat ze in aanraking kwamen met de dood. Dat ze op een begrafenis aanwezig waren. Dat is toen door de juffrouw heel fijnzinnig voorbereid: een getuigenis van vriendschap voor ons dode vriendje. Het heeft mij erg aangegrepen.

Wekt dit sentiment bij u op, deze gedachtenis aan school? Of is het niets meer dan “iets van vroeger”?
Nee, het wekt zeker sentimenten op. Ik ben erg ontroerd. Ik herinner mij nog 1914, het uitbreken van de oorlog. Antwerpen was beschoten en duizenden gezinnen vluchtten naar Walcheren. En toen werd er vrij gegeven van school, want de vluchtelingen werden in onze school ondergebracht. Dat maakte veel in mij los, ik was toen 5, 6 jaar oud, ik zat dus net op school.

             
                                   Noodopvang van Belgische vluchtelingen in 1914

En mijn vader vertelde mij over de oorlog – en op dat moment heb ik besloten dat ik nooit soldaat zou worden. Want ik dacht: als alle jongens weigeren soldaat te worden, dan komt er nooit meer oorlog. Ik wist toen nog niet dat je daarvoor altijd maar een paar jongens meekrijgt. Maar ik ben dus nooit in dienst gegaan. Ik heb heerlijk een jaar in de cel gezeten± een mooie tijd, waarin ik veel kon lezen. Eerst heb ik de Bijbel gelezen. Wat ook heerlijk was, herinner ik mij, was als het 32 graden hitte was, dan mocht je naar huis toe. Zalige dagen waren dat.
Ik weet ook nog, dat er bij een zware storm – het moet in ´19 of ´20 geweest zijn – veel vissers verdronken zijn – 18 vissers verzopen.

             

Naar aanleiding van die ramp heeft de meester ons toen over “Op Hoop van Zegen” van Herman Heijermans verteld. Welke meneer dat precies geweest is van school, weet ik niet meer. Misschien meneer Spinaay. Zo zijn er veel dingen gebeurd, die hun sporen hebben nagelaten.

Kunt u zich iets herinneren van het afscheid van de school?
Nee, want ik ben maar tot het vierde jaar op de Grote Marktschool gebleven. Toen moest ik naar de Franse School en dat vond ik heel erg. Daar wilde ik niet naar toe. Daar zaten allemaal dure aanstellers. Over dat soort zaken werd beslist hè? Dat werd buiten je om geregeld. Als kind had je daar niets in te zeggen. Moderne pedagogen vinden dat dat wel moet. Dat een kind altijd zelf moet beslissen. Nou, ik vind van niet. Maar daar ben ik dan ook een conservatieve, reactionaire man voor.