Herinneringen van dhr. J.Roodenburg
oud-leerling (1949-1953) en hoofd van de openbare lagere school Frans Naereboutschool (1969-1974)
(Bron: Herdenkingsboekje 100-jarig bestaan Frans Naereboutschool 1983)

Terugziend op mijn leven in en met de Frans Naereboutschool moet ik mij voorzien van een dubbele optiek: immers ooit was ik er leerling en ooit was ik er hoofd. Van beide perioden wil ik verhalen, wetend echter dat het slechts een greep zal zijn uit duizend, of daaromtrent, ervaringen. Een greep dus …

Als jongen van het platteland werd ik net na de oorlog wat wild – van de ene op de andere dag - tussen de stadsjeugd van het oude Vlissingen geplant, aangegaapt alsof ik een nieuw exemplaar uit Artis was. Ik moet er ook potsierlijk hebben uitgezien met m´n ribfluwelen “politie-rijbroek” aan en m’n keurig gepoetste schoenen. Zo keurig en degelijk als de meeste meisjes eruit zagen, zo vuil en slordig liepen de jongens erbij: afgedankte en veel te grote colbertjasjes – waarschijnlijk nog afkomstig van de HARK – met van die opgestikte, maar vaak half losgetornde zakken, waar je zo heerlijk uitpuilend, allerlei zaken in kon opbergen: katapults, touw, mes en knikkers.

      
      
Rode Kruis Vlissingen, informatiepost en het uitdelen van levensmiddelen "Hulp Actie
              Rode Kruis" (HARK) in een pand op de Nieuwendijk.

Schoenen, of wat daar ook voor doorging, waren kaal, moesten  kaal zijn. Geen wonder ook, want, naast de Kazerne, tussen de Slijkstraat en de “Bomvrije” lag een grote vlakte van platgetreden aarde en oorlogspuin. Voetballen op die vlakte was de geliefde bezigheid.
(Een schoolarts zegt in 1921 over voetballen: Eenige malen moest worden gewaarschuwd tegen eene overmatige beoefening van de voetbalsport en kon eene min of meer belangrijke hartuitzetting alleen door overmatige arbeid van het hart bij dat spel worden verklaard. Bij nalaten van het spel bleek later de hartafwijking te zijn teruggegaan”.)


Te doen en er uit te zien als een van mijn klasgenoten was mijn grote doel. Ik wilde er hoe dan ook bij horen. Toch werd ik enigszins gewantrouwd en zelden in vertrouwen genomen over voorgenomen kwajongensstreken: ik was het zoontje van een van de onderwijzers op school!
Ik heb daar wel onder geleden. Ik wilde me waar maken. Vandaar dat ik gekke dingen ging doen: met schuurpapier de neuzen van mijn nieuwe schoenen bewerken, omdat ik anders uitgejouwd zou worden. Ik vond ook altijd dat ik dubbel straf kreeg. Om stoer te doen en om vertrouwen te winnen bij mijn klasgenoten durfde ik ook nog wel eens iets uit te halen. Gevolg: de gang op. Als dan ook nog m’n vader, geïnformeerd door zijn college, mijn onderwijzer, er thuis over begon, voelde ik me dubbel gepakt.
Iets dat mij uit die tijd is bijgebleven, is de zogenaamde “dieventaal” (elke tweeklank of klinker wordt vervangen door “adie”). Ik spreek het nog vloeiend. Als ik nu “Kromme Ko” de Ridder, Jaap Roelse, Kees Pierens, Piet de Kam of noem ze maar op, tegen zou komen, zouden we na vele jaren, in datzelfde taaltje kunnen converseren.

 

 

 

 

En wat ik niet mag vergeten is de Boulevard, bron van menig strafwerk, omdat we te laat kwamen als het windkracht 8 was en de golven tegen de Boulevardmuur sloegen en een huizenhoge zoute stortregen omhoog deed spatten, waarbij het de sport was zodanig op tijd weg te lopen dat je droog bleef of juist niet. “’t Slaat over”, riepen we dan op het schoolplein en weg waren we. Of er was weer eens een schip vastgelopen. Geloof maar niet dat we dan op tijd op school waren!

     

De watersnoodramp van 1953. Geen school! Reken- en taalboekjes mee naar huis. Tot aan je middel door het koude water in de Baljuwstraat en de Oranjestraat om naar je vriend (lange) Jaap de Ridder te gaan en te vragen hoe ze het maakten daar op zolder en varen op een vlot van deuren in de Nieuwstraat!

           
          
Stormvloedramp 1 febr. 1953. De Grote Markt gezien vanuit de Gasthuisstraat.

Zestien jaar later ben je weer terug op de Frans Naereboutschool, nu als schoolhoofd. Alles lijkt nu veel kleiner dan vroeger. Je bekijkt de zaak! Je bent jong en je wilt wat! Maar wat? Op onderwijskundig gebied? Ja zeker, maar … er bestaan in zo’n gesettelde school bepaalde structuren, die moeilijk te veranderen zijn. Je beukt er een poosje tegen aan en denkt dan wat murw: “Als het niet kan zoals jij denkt dat het moet, moet het maar zo als het kan”.
Op materieel gebied lag dat wat makkelijker. Je constateert: de personeelskamer is te klein en je maakt een plan om de personeelskamer en het magazijn om te bouwen tot één kamer. Er is ook teveel lawaai in school: de houten vloeren werken als klankkast. Het T.N.O. wordt er bijgehaald voor geluidsmetingen en er komt vaste vloerbedekking. Het handenarbeidlokaal heeft te weinig kastruimte: er worden kasten getimmerd. De schoolborden zijn uit de tijd. Er breekt een staaldraad en je krijgt een stuk bord op je schouder: kneuzingen en drie weken pijn. Er komen moderne borden. Het gymlokaal vertoont gebreken. Je maakt een rapportje en er komen nieuwe gordijnen en de houten vloer (splinters!) krijgt een kurklaag.
Na vijfeneenhalfjaar doet zich een kans voor om hoofd te worden van een nog te bouwen school in Middelburg, een uitdaging en je grijpt je kans. Maar de school die tien jaar van je leven bepaalde, krijgt een apart plaatsje in je hart.
Gefeliciteerd “Narrebout”.

De heer Roodenburg stuurde ons onlangs nog het volgende verhaal toe:

MODESHOW

 

Het is al weer dertig jaar geleden, maar nu ik er weer aan denk en er over schrijf, zie ik alles voor me als de dag van gisteren, om maar weer eens en cliché te gebruiken. Ik was toen hoofd van een school die was gelegen onder aan de Boulevard de Ruijter in Vlissingen, De Frans Naereboutschool. Bij de school hoorde een  groot rechthoekig plein, uitermate geschikt om op te voetballen. Dat werd dan ook op een hevige manier gedaan.
Ik was zelf op dat moment nog actief zomeravondvoetballer, net dertig jaar. Het bloed kruipt in zo’n geval waar het niet gaan kan, dus als ik pleinwacht had, dan deed ik fanatiek mee.
Ik wil me er niet al te erg op beroemen, maar menig voetbaltalent heeft bij mij op het plein het spelletje geleerd. Ik denk daarbij bijvoorbeeld aan de later regionaal bekend geworden voetballers als Hans v.d.Rafelaar en Ron van Dam. Ik heb ze ook dingen af moeten leren, want “pingelen” konden de twee zo juist genoemden als geen ander.
Op een middag voor schooltijd waren we weer eens heftig bezig. Ik wilde en hoge bal aannemen in de lucht. Door mijn fysieke constellatie – dikke, korte  beentjes – moest ik me tot het uiterste inspannen om de bal te veroveren. Toen gebeurde het!
Een geluid alsof het grootzeil van een klipper bij windkracht tien in tweeën scheurde.
Het was de draad in de naad van mijn rechterbroekspijp die het had begeven. Kapot, vanaf mijn kruis tot aan mijn schoenen, helemaal open. Hilariteit alom.
Zelf zat ik er niet zo mee en kon de lol er wel van inzien. Het enige probleem leek de tijd. De school zou net ingaan. De mare ging al door de school dankzij een collega en juf Adrie Steketee had snel de naaimachine van school geïnstalleerd.
Daar stond ik dan in mijn onderbroek in het personeelskamertje met de juf die net mijn broek aanpakte. Op dat moment stapte de inspecteur binnen.
“Meneer Roodenburg, wat bent u nu aan het doen?”, was zijn verbaasde  reactie.
Een mens in nood verzint soms de vreemdste dingen. Ik had natuurlijk gewoon moeten zeggen wat er aan de hand was, maar in plaats van dat te doen, zei ik: “We zijn  met een project bezig over Indonesië en ik voer dadelijk voor mijn klas een modeshow op van Indonesische kleding”, waarbij ik de eerste de beste sarong uit de projectkist van het Museum voor Volkenkunde uit Leiden, welke die morgen net was afgeleverd, griste en snel omsloeg.
“Ik ben gekomen voor de laagste klassen, als ik nog tijd heb, kom ik even kijken”, zei de inspecteur.
Ik heb de hele middag rondgelopen in die malle lap, maar de inspecteur heb ik niet in mijn klas gezien. Toen de school al uit was en ik mijn inmiddels keurig herstelde broek had opgehaald en aangetrokken, kwam ik de inspecteur in een van de gangen tegen. Hij had geen tijd meer gehad om te komen kijken. Hij had haast en zei dat hij  spoedig weer eens langs zou komen, maar dan voor de hoogste klassen. Ik deed hem uitgeleide. Bij de deur gaf hij me een hand en verliet de school met de woorden:
“Leuk idee, die modeshow!”